Vlaanderen.be www.vmm.be
Je bent hier: Home / Water / Kwaliteit waterlopen / Chemie / Nutriënten

Nutriënten

Nutriënten zoals nitraat en fosfaat zijn noodzakelijk voor het leven in het water, maar bij te hoge concentraties kunnen ze het ecosysteem ernstig ontwrichten.

Totaal fosfor

Fosfor komt in het water voor onder de vorm van organisch gebonden fosfor en onder de vorm van het door planten opneembare fosfaat. Het organisch fosfor kan door mineralisatie omgezet worden tot fosfaat. Beide componenten samen worden het ‘totaal fosfor’ genoemd.

De gemiddelde concentratie aan totaal fosfor daalt van ca. 0,61 mg P/l in 2007 naar 0,52 mg P/l in 2016. Deze concentratie is quasi dezelfde als in 2012, 2013 en 2015. Het hoogste gemiddelde van de laatste 10 jaar werd gemeten in 2014 en bedroeg toen 0,63 mg P/l. Het percentage waterlichamen dat aan de typespecifieke norm voldoet is zeer laag en varieert tussen 0,5 en 5,6 %. De laatste twee jaren scoren het best met resp. 5,1 % in 2015 en 5,6 % in 2016. Desondanks blijft de aanwezigheid van fosfor in het overgrote deel van de Vlaamse waterlichamen problematisch.

Evolutie totaal fosfor in oppervlaktewater Vlaanderen.

Orthofosfaat

Te veel fosfaat draagt bij tot de eutrofiëring of overbemesting van de waterlopen. Fosfaten zijn hoofdzakelijk afkomstig van afvalwaterlozingen en van uitspoeling en erosie van landbouwgronden. De gemiddelde concentratie van orthofosfaat (o-PO43-) in het oppervlaktewater vertoont geen duidelijke  trend in de periode 2007-2016. In 2016 is de gemiddelde concentratie 0,32 mg P/l en van dezelfde grootteorde als in 2015.

Het percentage van de waterlichamen dat in 2016 voldoet aan de typespecifieke norm voor orthofosfaat bedraagt ca. 14%. Het is het vierde jaar op rij dat er een daling is van het percentage waterlichamen dat aan de norm voldoet. Het percentage is daardoor vergelijkbaar met deze van 2008. Ook orthofosfaat is dus voor veel van de Vlaamse waterlichamen problematisch.

Evolutie orthofosfaat in oppervlaktewater Vlaanderen.

 

Totaal stikstof

In brakke en zoute overgangswateren wordt niet het totaal stikstof, maar de parameter ‘nitraat + nitriet + ammonium’ beoordeeld. Voor deze waterlichamen worden de resultaten voor deze parameter verwerkt in de hieronder getoonde resultaten voor totaal stikstof, en dit zowel voor de gemiddelde concentratie als voor het percentage waterlichamen dat voldoet aan de norm.

De gemiddelde concentratie aan totaal stikstof daalt van 7 mg N/l in 2007 naar 5 mg N/l in 2016. De laatste drie jaar is de gemiddelde concentratie constant gebleven. Het percentage meetplaatsen dat voldoet, neemt toe van 14% in 2007 tot 32% in 2016. Dit is het beste resultaat sinds het begin van de metingen.

Evolutie totaal stikstof in oppervlaktewater Vlaanderen.

Nitraat

Nitraten komen vooral via de landbouwgronden in de waterlopen terecht. De mate van uitspoeling is niet enkel afhankelijk van de bemestingspraktijken. Ook de weersomstandigheden, in het bijzonder de neerslag, beïnvloeden deze uitspoeling in sterke mate, maar door de toepassing van de meerjarenstatistiek worden de effecten van natte en droge jaren gedeeltelijk afgevlakt. Naast (ortho)fosfaat speelt nitraat een belangrijke rol in de eutrofiëring van oppervlaktewater.

De gemiddelde nitraatconcentratie in de Vlaamse waterlichamen is lager dan in 2007, maar vertoont geen duidelijke trend sinds 2009. In 2016 bedraagt de gemiddelde concentratie 3,73 mg N/l, in 2015 was dit 3,26 mg N/l.  

Het percentage waterlichamen dat voldoet aan de norm bedraagt 66,7% en is gelijk aan dat van 2014. In 2015 voldeden 70,3 % van de waterlichamen aan de norm. 

.Evolutie nitraat in oppervlaktewater Vlaanderen.

Nitraten komen vooral via de landbouwgronden in de waterlopen terecht. De mate van uitspoeling is niet enkel afhankelijk van de bemestingspraktijken. Ook de weersomstandigheden, in het bijzonder de neerslag, beïnvloeden deze uitspoeling in sterke mate. Naast fosfaat speelt nitraat een belangrijke rol in de eutrofiëring van oppervlaktewater.

Eutrofiëring

Eutrofiëring betekent de overmatige aanwezigheid van nutriënten zodat het plantaardig leven zich in een waterloop (bv. waterplanten en voornamelijk microscopische wieren) explosief kan ontwikkelen. Vooral stikstof- en fosforverbindingen spelen een belangrijke rol in dat proces.  In de meeste rivieren is fosfor de meest sturende variabele voor de primaire productie. Dat is de productie van organische verbindingen (bv. zetmeel) op basis van kooldioxide, hoofdzakelijk door het proces van fotosynthese in de planten en algen.

Kwaliteitsvariabelen die rechtstreeks verband houden met eutrofiëring zijn:

  • stikstof vervat in organische verbindingen
  • ammoniakale stikstof
  • nitraatstikstof
  • totaal fosfor 
  • orthofosfaat

Nitriet heeft een vrijwel verwaarloosbaar aandeel in eutrofiëring, maar moet worden beschouwd als een gevaarlijke stof vanwege het toxische effect. Indirect worden door nitriet ook opgeloste zuurstof en zuurtegraad (pH) beïnvloed.

Eutrofiëring kan leiden tot massale ‘wierbloei’ of ontwikkeling van eendenkroos  met een negatief effect op de ecologische waterkwaliteit. De  doorzichtigheid vermindert, waardoor jagende vissen hun prooi niet meer zien. Daarnaast krijgen onder water groeiende planten onvoldoende licht en kan er ’s nachts een zuurstoftekort optreden. Een plotse daling van het zuurstofgehalte kan vissterfte veroorzaken. Overdag kan een wierbloei dan weer tot oververzadiging leiden.

Bij het afsterven van de wierbiomassa zal de (bio)chemische zuurstofvraag van het water sterk stijgen, wat eveneens zuurstofloosheid kan veroorzaken. Door de intense opname van koolstofdioxide als gevolg van het fotosyntheseproces kan het bicarbonaatbuffersysteem in het water uit balans raken, waardoor een gevoelige stijging van de zuurtegraad kan optreden (tot pH >9). Bij een dergelijke hoge pH wordt een belangrijk deel van het vrij onschadelijke ammonium (NH4+) omgezet in het zeer toxische vrije ammoniak (NH3).

Dit is een officiële website van de Vlaamse overheid