Infiltratiesnelheid
Om de infiltratiesnelheid van een grond te kennen en om te weten of een grond doorlatend genoeg is voor de infiltratie van hemelwater of niet, bestaan er een aantal opties.
Informatie over het grondwaterpeil en bodemtype op een perceel kan teruggevonden worden via onderstaande informatiebronnen (zie ook ‘nuttige linken en documenten’):
- Watertoetskaart infiltratiegevoeligheid
- Bodemkaart (drainageklasse a, b en c; textuur Z en S infiltreren in principe goed)
- Databank Ondergrond Vlaanderen (DOV)
Indien na terreinonderzoek en na raadpleging van achtergrondinformatie nog twijfel bestaat over de doorlatendheid van de bodem kan om de infiltratiesnelheid van een grond te kennen, een infiltratieproef uitgevoerd worden.
- De ringproef is een vrij eenvoudige methode. Daarbij wordt een ring enkele centimeters in de bodem geduwd. Die wordt vervolgens over een hoogte van enkele centimeters gevuld met water waardoor de infiltratiesnelheid kan worden bepaald. Dat kan door het waterniveau binnen de ring constant te houden en te meten hoeveel water er moet worden bijgevuld. U kunt ook kijken hoe snel het water zakt in functie van de tijd. Wanneer na verloop van tijd de toegevoegde hoeveelheid water per tijdseenheid of de snelheid waarmee het water in de bodem zakt, constant blijft, is de infiltratiecapaciteit gevonden. Het nadeel bij deze proef is dat de infiltratie zich zal uitstrekken in drie dimensies terwijl bij een infiltratiebekken de infiltratie hoofdzakelijk in één richting (eendimensionaal) zal zijn.
- Bij de dubbele ringproef wordt er een dubbele ring voorzien om enkel de verticale infiltratie te meten. Beide ringen worden gevuld met water waarbij het water vanuit de buitenste ring in drie dimensies in de bodem infiltreert, terwijl het water in de binnenste ring het proces van verticale infiltratie benadert. U bepaalt de infiltratiecapaciteit op dezelfde manier als bij de enkele ringproef hierboven.
- Bij de putproef graaft u een put tot op de diepte waarop u de infiltratie wilt aanleggen. Deze put heeft onderaan een diameter van 10 cm en bovenaan een diameter van maximum 30 cm. Vul de put met water gedurende 4 à 24 uren, om zo de grond te verzadigen. Wanneer het water in minder dan 10 minuten verdwijnt, kan de test onmiddellijk worden uitgevoerd.
Na de verzadiging vult u de put met water tot op een hoogte van 15 à 30 cm van de bodem. Dit is de Hstart.
Bepaal vervolgens de waterhoogte, Hw, na een tijd van 15, 30, 60, 120 en eventueel 240 minuten. Wanneer het water volledig verdwenen is binnen de 30 minuten, herbegin dan de test en meet de tijd nodig om het waterniveau met 10 cm te laten dalen.
Bepaal nu voor iedere meting de infiltratiesnelheid als volgt:

Waarbij:
Kv = de infiltratiesnelheid (mm/h)
Hstart = de hoogte van het waterniveau bij het begin van de test (mm)
Hw = de hoogte van het waterniveau op een bepaald ogenblik (mm)
T = de tijd verlopen na de start van de test (minuten)

