Persoonlijke hulpmiddelen
  •  
Rubriek water
 

Probleemsoorten

De belangrijkste probleemsoorten in Vlaamse oppervlaktewateren zijn:

  • Grote waternavel

  • Parelvederkruid

  • Waterteunisbloem

  • andere plantenexoten

Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides L.f.)

Dit is een van oorsprong Zuid-Amerikaanse plant, plaatselijk ook Braziliaantje of Braziliaanse waternavel genoemd.
De plant kan zich zeer snel verspreiden – een stekje van enkele cm groot is al voldoende om tot een nieuwe plant uit te groeien – en kent een explosieve groei. In de zomermaanden kan de biomassa iedere week verdubbelen.

foto: Grote waternavel
Kenmerken
  • Bladeren: de onbehaarde, glanzende bladeren lijken min of meer rond, met een diameter tussen 4 en 10 cm, een bladsteel in het midden geplaatst (paraplu). Aan één kant is het blad diep ingesneden tot aan de bladsteel en verder 3- tot 7-lobbig.
  • Groeiperiode: de planten beginnen vanaf mei te groeien; de sterkste groei is in juli-augustus, maar de groei kan tot in oktober doorgaan.
  • Stengels: tot meer dan 0,5 cm dik, kruipen over of net onder het wateroppervlak of over de grond.
  • Wortels: op de knopen van de stengels zit bij elk blad een bosje dat meer dan 5 cm lang wordt.
  • Bloemen: zijn relatief klein en grauwwit, uiterst zelden te zien.
  • Groeivorm: de planten vormen drijftillen: ze koloniseren vanuit de oeverlijn het wateroppervlak en vormen een soort dekens over het water.

 

Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum)

Het tropische parelvederkruid wordt ook wel eens gepareld of Braziliaans vederkruid genoemd.
De soort komt veelvuldig voor in stilstaand water. Vooral in warme zomers kan de plant woekeren. Parelvederkruid wordt wel eens verward met het (inheemse) aarvederkruid, maar is het enige vederkruid dat echt boven het water groeit.

foto: Parel Scherpenbergloop
Kenmerken
  • Stengels: tot een halve centimeter dik en enkele meters lang. Ze kruipen over natte grond of vlotten tegen de waterspiegel aan, het dicht bebladerde uiteinde - meestal een tiental cm of meer (tot ca. 30 cm) – steekt boven het water uit.
  • Groeivorm: bij sterke groei wordt een 'mooi' tapijt gevormd. Het drijft meestal in halve cirkels langs de waterlijn op het water.
  • Bladeren: kransen van 4-6 langwerpige, 2-5 cm lange bovenwaterbladeren die verdeeld zijn in 12-36 fijne en tot 1,6 cm lange lijnvormige slippen. De onderwaterbladeren zijn groener minder stijf en wat kleiner.
  • Kleur: blauwgrijsgroen van kleur en berijpt.

 

Waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora, L. uruguayensis en L. peploides)

De waterteunisbloem is afkomstig uit Zuid-Amerika. Waterteunisbloem wordt verkocht als vijverplant. Zeer waarschijnlijk is dit de oorsprong van de (nieuwe) invasie (zogenaamde 'ontsnapping' uit vijvers). De plant is winterhard. Hij groeit zowel in stilstaand als in stromend water.

foto: Waterteunisbloem
Kenmerken
  • Groeivorm: drijvende uitlopers die vanaf de oever vele meters per jaar het water in groeien. Zodra de drijvende mat dicht genoeg is, verheffen zich stengels die tot een meter hoog worden.
  • Bladeren: stomp spatelvormig tot bijna rond indien ze drijven. Wanneer ze uit het water steken, zijn de bladeren lancetvormig met aflopende punt. Door de lichte kleur zijn de nerven doorgaans erg duidelijk afgetekend. De kleur van het blad is blauwgroen.
  • Wortels: opvallend zijn de kluwens, sponzige, witte wortels die bij vlottende planten in het water gevormd worden en die het drijfvermogen vergroten.
  • Bloem: geel.

 

Andere exoten

  • watersla (Pistia stratiotes),
  • waterhyacinth (Eichhornia crassipes),
  • watercrassula (Crassula helmsii),…
Deze exoten worden al waargenomen, maar vormen (nog) geen probleem. Opvolging is echter belangrijk.
Document acties