Persoonlijke hulpmiddelen
  •  
Rubriek water

Nutriënten

Nutriënten zoals nitraat en fosfaat zijn noodzakelijk voor het leven in het water, maar bij te hoge concentraties kunnen ze het ecosysteem ernstig ontwrichten.

Eutrofiëring

Eutrofiëring

Eutrofiëring is het overmatig aanwezig zijn van nutriënten zoals stikstof- en fosforverbindingen in een waterloop.

Eutrofiëring betekent het overmatig aanwezig zijn van nutriënten zodat het plantaardig leven in een waterloop (bv. waterplanten en voornamelijk microscopische wieren) zich explosief kan ontwikkelen. Vooral stikstof- en fosforverbindingen spelen een belangrijke rol in dat proces. Fosfor is de meest sturende variabele voor de primaire productie in de meeste rivieren. De primaire productie is de productie van organische verbindingen (bv. zetmeel) op basis van kooldioxide, hoofdzakelijk door het proces van fotosynthese in de planten en algen.

Kwaliteitsvariabelen die rechtstreeks verband houden met eutrofiëring zijn stikstof vervat in organische verbindingen, ammoniakale stikstof, nitraatstikstof, totaal fosfor en orthofosfaat. Nitriet is in dit verband vrijwel verwaarloosbaar en moet worden beschouwd als een gevaarlijke stof vanwege het toxisch effect. Indirect worden ook opgeloste zuurstof en zuurtegraad (pH) beïnvloed.

Een massale ‘wierbloei’ of ontwikkeling van eendenkroos heeft een negatief effect op de waterkwaliteit: de doorzichtigheid vermindert (jagende vissen zien hun prooi niet meer, ondergedoken waterplanten krijgen onvoldoende licht) en ’s nachts kunnen zuurstoftekorten optreden (terwijl er zich overdag oververzadiging kan voordoen). Bij het afsterven van de wierbiomassa zal de (bio)chemische zuurstofvraag van het water sterk stijgen, wat eveneens zuurstofloosheid kan veroorzaken. Door de intense opname van kooldioxide als gevolg van het fotosyntheseproces kan het bicarbonaatbuffersysteem in het water uit balans raken, waardoor een gevoelige stijging van de zuurtegraad kan optreden (tot pH >9). Bij een dergelijke hoge pH wordt een belangrijk deel van het vrij onschadelijke ammonium (NH4+) omgezet in het zeer toxische vrije ammoniak (NH3).

Totaal fosfor

Totaal fosfor

De gemiddelde concentratie aan totaal fosfor daalt van ca. 2 mgP/l in 1990 naar ca. 0,5 mgP/l. In de periode 1990-2002 voldeed ca. 10% van de meetplaatsen aan de basiskwaliteitsnorm. Vanaf 2005 voldoet ca. 20 % aan deze norm.

De toetsing aan de typespecifieke norm geeft aan dat slechts 7% van de meetplaatsen voldoen. In vergelijking met de voorgaande jaren is dit een lichte stijging.

Grafiek: Evolutie van de concentratie totaal fosfor in het oppervlaktewater
Grafiek: Evolutie van de concentratie totaal fosfor in het oppervlaktewater,
vergelijking % meetplaatsen dat voldoet aan de typespecifieke- en basiskwaliteitsnorm.

Fosfaat

Fosfaat

Fosfaten zijn hoofdzakelijk afkomstig van afvalwaterlozingen, en van uitspoeling en erosie van landbouwgronden. Dankzij de saneringsinspanningen van de overheid, landbouw en industrie is de gemiddelde concentratie van orthofosfaat (o-PO43-) in het oppervlaktewater het voorbije anderhalf decennium drastisch gedaald. Zowel in 2012 als in 2013 is de gemiddelde concentratie bij de laagste sinds het begin van de metingen. In de eerste helft van de jaren 1990 haalde ca. één op tien meetplaatsen de basiskwaliteitsnorm (< 0,3 mgP/l in stromend water). In 2013 voldoet ca. 44% van de meetplaatsen aan de basiskwaliteitsnorm. Het percentage van de meetplaatsen dat in 2013 voldoet aan de typespecifieke norm voor orthofosfaat bedraagt ca. 18%.

Zowel wat betreft de gemiddelde concentratie als wat betreft de normtoetsing is er een relatief stabiel verloop sinds 2002, met slechts geringe schommelingen van jaar tot jaar, een fenomeen waarin de meteorologie een belangrijke rol speelt.

Fosfor (P) is een belangrijk plantenvoedend element en een bouwsteen in alle levende wezens. Te veel fosfaat draagt bij tot de eutrofiëring of overbemesting van de waterlopen. Daarom wordt fosfor soms tot de gevaarlijke stoffen gerekend, hoewel de aquatische ecotoxiciteit eerder gering is.

 

Deze grafiek toont voor de periode 1990 tot en met 2013 de evolutie van de gemiddelde orthofosfaatconcentratie en van het percentage meetplaatsen waar de typespecifieke en de basiskwaliteitsnorm wordt gehaald.
Grafiek: Evolutie van de orthofosfaatconcentratie in het oppervlaktewater,
vergelijking % meetplaatsen dat voldoet aan de typespecifieke- en basiskwaliteitsnorm.

Ammoniakale stikstof

Ammoniakale stikstof

De ammoniumconcentratie is een goede indicator voor waterverontreiniging door niet of onvoldoende gezuiverde lozingen.

De gemiddelde concentratie van ammonium in het oppervlaktewater is gedurende de voorbije twee decennia drastisch gedaald door:

  • de saneringsinspanningen van de overheid en het bedrijfsleven;
  • de gestegen zuurstofconcentraties waardoor meer nitrificatie optreedt.

Terwijl de basiskwaliteitsnorm voor ammonium in de eerste helft van de jaren 1990 amper op ongeveer 1 op 5 meetplaatsen gehaald werd, is die verhouding vanaf 2001 gestegen tot 4 à 5 op 10. De gemiddelde concentratie schommelde sinds 2001 tussen 2 en 3,3 mg NH4-N/l en overschrijdt globaal sterk de basiskwaliteitsnorm (gemiddelde concentratie < 1 mg NH4-N/l). Ten opzichte van 2011 is de gemiddelde ammoniumconcentratie gedaald van ca. 2,8 mg NH4-N/l naar 1,8 mg NH4-N/l In vergelijking met het begin van de metingen voldoet al twee opeenvolgende jaren meer dan de helft van de meetplaatsen (ca. 55%) aan de norm.

Ammoniakale stikstof is de som van NH4+ (ammoniumionen) en vrije ammoniak (NH3, een opgelost gas). Beide vormen komen voor in een evenwicht waarin de zuurtegraad (pH) een doorslaggevende rol speelt. Bij een hoge pH wordt ammonium omgezet in ammoniak. Ammonium is weinig toxisch voor vissen, ammoniak is zeer toxisch.

NH4+ is niet alleen van belang om zijn impact op de zuurstofhuishouding en als ecotoxicologische factor, maar ook als plantenvoedend bestanddeel en speelt dus een rol in de eutrofiëringsproblematiek.

Ammonium is een typisch afbraakproduct van organische, stikstofhoudende stoffen in afvalwater (zie ook ammonificatie). Het is een goede indicator voor de mate van waterverontreiniging door huishoudelijk afvalwater en door bedrijfsafvalwater afkomstig van een groot aantal sectoren. Ook sluiklozingen en afspoeling van dierlijke mest geven aanleiding tot een aanzienlijke concentratietoename.

Deze grafiek toont voor de periode 1990 tot en met 2013 de evolutie van de gemiddelde ammoniumconcentratie en van het percentage meetplaatsen waar de basiskwaliteitsnorm wordt gehaald.
Grafiek: Evolutie van de ammoniumconcentratie in het oppervlaktewater

Totaal stikstof

Totaal stikstof

Omdat er geen basiskwaliteitsnorm is voor totaal stikstof, is toetsing enkel mogelijk aan de typespecifieke norm. De gemiddelde concentratie aan totaal stikstof daalt van 8 mgN/l naar ca. 6,2 mgN/l. Het aantal meetplaatsen dat voldoet, stijgt van 26% in 2007 naar 37% in 2013.

Deze figuur toont de evolutie van de concentratie totaal stikstof in het oppervlaktewater getoetst aan de typespecifieke norm.
Grafiek: Evolutie van de concentratie totaal stikstof in het oppervlaktewater getoetst aan de typespecifieke norm.

Nitraat

Nitraat

Nitraten komen vooral via de landbouwgronden in de waterlopen terecht. De mate van uitspoeling is niet enkel afhankelijk van de bemestingspraktijken. Ook de weersomstandigheden, in het bijzonder de neerslag, spelen een belangrijke rol. Naast fosfaat speelt nitraat een belangrijke rol in de eutrofiëring van oppervlaktewater. De MAP-meetplaatsen bevinden zich uitsluitend in agrarische gebieden. Het MAP-meetnet werd operationeel in 1999. MAP staat voor Mestactieplan, het geheel van actieplannen die uitvoering geven aan de Europese Nitraatrichtlijn.

Onderstaande grafiek toont de evolutie van de gemiddelde nitraatconcentratie vanaf 1999 tot 2013 voor:

  • alle meetplaatsen inclusief MAP-meetplaatsen:

In 2011 daalde de gemiddelde concentratie naar de laagste waarde (gemiddelde van 3,4 mg NO3-N/l) sinds meer dan een decennium. In 2012 trad een kleine toename (tot 4 mg NO3-N/l) van de concentratie op maar dit kan verklaard worden door neerslagfenomenen. In 2013 daalt de concentratie terug tot een gemiddelde van 3,7 mg NO3-N/l of een vergelijkbare concentratie zoals in 2009.

  • alle meetplaatsen exclusief MAP-meetplaatsen:

De gemiddelde concentratie van alle meetplaatsen zonder de MAP-meetplaatsen bedraagt 3,2 mg NO3-N/l.

Door de systematisch hogere nitraatconcentratie op de MAP-meetplaatsen, ligt de grafieklijn 'alle meetplaatsen exclusief MAP-meetplaatsen' enkele mg/l lager dan ‘inclusief MAP-meetplaatsen’. Uit het parallelle verloop van de 3 grafieklijnen blijkt dat het patroon van de evolutie van de nitraatverontreiniging in de bovenlopen determinerend is voor het patroon in de benedenlopen. De doorslaggevende impact van de land- en tuinbouw wordt daarmee geïllustreerd. Die vaststelling betekent echter niet dat de stikstofverontreiniging door andere actoren verwaarloosbaar zou zijn.

  • Meetplaatsen van het operationele meetnet in Vlaamse waterlichamen.

Opvallend is dat de grafieklijnen 'alle meetplaatsen exclusief MAP-meetplaatsen' en 'meetplaatsen van het operationele meetnet' nagenoeg samenvallen. Dit toont aan dat het operationele meetnet, dat veel minder meetpunten omvat, representatief is voor de evolutie van de nitraatconcentratie in de grotere watersystemen.

In deze grafiek wordt de evolutie getoond van de gemiddelde concentratie over alle meetplaatsen, over alle meetplaatsen exclusief de MAP-meetplaatsen en de meetplaatsen van het operationele meetnet voor Vlaamse waterlichamen.
Grafiek: Evolutie van de gemiddelde nitraatconcentratie in het oppervlaktewater

De Europese kaderrichtlijn Water voorziet niet alleen in een toestand- en trendmonitoring, maar ook in een operationele monitoring waarmee waterlichamen die niet (dreigen te) voldoen aan de kwaliteitsdoelstellingen gemonitord worden. Zo komen we de impact van de herstelmaatregelen als uitvoering van de Europese kaderrichtlijn Water te weten.

De ruggengraat van het hydrografische netwerk wordt gevormd door de Vlaamse waterlichamen: de zoetwaterrivieren met een stroomgebied groter dan 50 km² en de wateren die de overgang naar zee vormen (in totaal 170 Vlaamse waterlichamen). Voor de stroomgebieden tussen 10 en 50 km² betreft het 306 waterlichamen (lokale waterlichamen van eerste orde).

Document acties