Bronnen van waterverontreiniging
Bronnen van waterverontreiniging kunnen zowel van menselijke, natuurlijke of van semi-natuurlijke oorsprong zijn. Om deze bronnen te omschrijven, wordt vaak het onderscheid gemaakt tussen puntbronnen en diffuse bronnen.
Puntbronnen worden gekenmerkt door een vastliggende locatie en een lozingsinfrastructuur, zoals een afvoerpijp of een overstort van een rioolstelsel. De belangrijkste puntbronnen zijn de industriële lozingen en de lozingen van rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's).
De emissies van grote puntbronnen zijn goed gekend aan de hand van het resultaten van het VMM-meetnet terwijl de emissies van de kleinere bedrijven worden geschat op basis van de gemiddelde samenstelling van het afvalwater per sector. Op die manier krijgen we toch een accuraat beeld van de totale vracht die door bedrijven in Vlaanderen wordt geloosd.
Diffuse bronnen hebben in tegenstelling tot puntbronnen geen duidelijk lozingspunt. Enkele voorbeelden zijn uit- en afspoelen van landbouwgronden, afspoelen van verontreinigd wegwater. De omvang van de emissies door diffuse bronnen wordt doorgaans berekend door vermenigvuldiging van een emissiefactor met bijbehorende emissieverklarende variabele.
Een voorbeeld voor de emissie van zink uit autobanden:
De emissiefactoren (EF) drukken uit hoeveel zink per km verloren gaat per voertuigtype.
Ze zijn het product van de zinkconcentratie in autobanden met de hoeveelheid stof die per gereden km vrijkomt.
De emissieverklarende variabelen (EVV) zijn dan de hoeveelheid gereden kilometers en het aandeel afstromend wegwater dat naar oppervlaktewater gaat.

