Persoonlijke hulpmiddelen
  •  
Rubriek water
U bent hier: Home WATER Beleid en instrumenten Wetgeving Vertegenwoordiging van België in de Raad van de Europese ministers voor Leefmilieu

Vertegenwoordiging van België in de Raad van de Europese ministers voor Leefmilieu

8 maart 1994 - Samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, met betrekking tot de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België in de ministerraad van de Europese Unie.

Gelet op artikelen 1, 2, 3, 33, 34, 35, 39, 127-130, 167, 168 van de Grondwet ;
Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de wet van 8 augustus 1988, de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, inzonderheid de artikelen 4, 5, 6, 6bis, 81, Par. 6, 92bis, Par. 1 en Par. 4bis;

Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten en de bijzondere wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, inzonderheid de artikelen 4, 42, 60 ;

Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd door de wet van 18 juli 1990 en de wet van 5 mei 1993 betreffende de internationale betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, inzonderheid de artikelen 4, 6, 55bis ;

Overwegende de artikelen 146 EEG, 27 EGKS en 116 EGA van de Verdragen van Parijs en Rome ter oprichting der Europese Gemeenschappen, zoals gewijzigd door de artikelen G, H en I van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ondertekend te Maastricht op 7 februari 1992 ;

Overwegende dat, in het kader van de Europese Unie, de federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten naargelang hun respectievelijke bevoegdheden samenwerken ten einde er de belangen van België te vertegenwoordigen en de Europese constructie verder te zetten ;

Overwegende dat het noodzakelijk is regels vast te stellen in de interne rechtsorde waardoor het Koninkrijk België als Lidstaat van de Europese Unie geldig kan deelnemen aan de werkzaamheden van de Ministerraad van die Unie ;

Overwegende de machtiging geschonken aan de gemeenschappelijke en gewestelijke regeringen om de Staat te binden binnen de Ministerraad van de Europese Unie, volgens in een samenwerkingsakkoord vast te leggen modaliteiten ;

De Staat, vertegenwoordigd door de heer W. Claes, Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken,
Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door de heer R. Collignon, Minister-President, belast met de Economie, KMO's, Toerisme, Externe Betrekkingen, Buitenlandse Handel, Patrimonium,
De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de heer L. Van Den Brande , Minister-President en Vlaams Minister van Economie, KMO, Wetenschapsbeleid, Energie en Externe Betrekkingen,
De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door de heer J. Maraite, Minister-President, Minister van Financiën, Volksgezondheid, Gezin en Bejaarden, Sport, Toerisme, Internationale Betrekkingen en Monumenten en Landschappen,
Het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de heer J. Chabert, Minister van Financiën, Begroting, Openbaar Ambt en Externe Betrekkingen,
De Franse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de heer M. Lebrun, Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek en Internationale Betrekkingen,

kwamen het volgende overeen :

I. MACHTIGING

Artikel 1. Ten einde in optimale voorwaarden de vertegenwoordiging van het Koninkrijk België te verzekeren binnen de Ministerraad van de Europese Unie en in het kader van de machtiging gegeven door artikel 81, Par. 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd door de bijzondere wet van 5 mei 1993 betreffende de Internationale Betrekkingen van de Gemeenschappen en de Gewesten, geeft het huidig samenwerkingsakkoord hierna nauwkeurig de regels aan inzake coördinatie en vertegenwoordiging.

II. COORDINATIE

Art. 2. 1. De coördinatie met het oog op het bepalen van het Belgisch standpunt, zowel algemeen als voor elk punt van de dagorde van de Raden van de Europese Unie, wordt verzekerd in het kader van de "Bestuursdirectie Europese Zaken" van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, die het Voorzitterschap en het secretariaat van de vergaderingen waarneemt.

2. Deze coördinatie gebeurt vóór elke zitting van de Raad op systematische en horizontale wijze, welke ook het betrokken bevoegdheidsdomein weze. Daartoe worden tot alle coördinatievergaderingen uitgenodigd, de vertegenwoordigers van de Eerste Minister, van de Vice-Eerste Ministers, van de Minister van Europese Zaken, van de Voorzitters van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen, van de leden van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen bevoegd op het vlak van de Internationale Betrekkingen en van de Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen, evenals de attachés van de Gemeenschappen en Gewesten.

De bevoegde federale, communautaire en regionale departementen evenals vertegenwoordigers van de functioneel bevoegde federale, communautaire en regionale Ministers worden uitgenodigd naargelang de dagorde van de vergaderingen.

3. Met het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie zal een afzonderlijk Samenwerkingsakkoord worden afgesloten over de betrokkenheid van deze laatste bij de coördinatieprocedures en bij de voorbereiding van de Belgische onderhandelingspositie.

4. Er wordt een proces-verbaal opgemaakt van elke coördinatievergadering, dat de namen van de deelnemers vermeldt. Dit proces-verbaal zal ambtshalve overgemaakt worden aan elk van de leden van de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid.

5. De verantwoordelijke van de Belgische zetel in de Ministerraad neemt alleen standpunten in over aangelegenheden waarover een voorafgaandelijke coördinatie, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel heeft plaatsgevonden.

Art. 3. Voor technische materies kunnen ad hoc coördinaties georganiseerd worden. Deze coördinaties gebeuren onverminderd de bevoegdheden van de coördinatie binnen de "Bestuursdirectie Europese Zaken". Er dient te worden gerapporteerd aan deze Bestuursdirectie en zodra de problemen een politieke dimensie inhouden, moeten zij bij deze Bestuursdirectie aanhangig gemaakt worden.

Art. 4. In geval van blijvend gebrek aan overeenstemming binnen de coördinatie georganiseerd door de Bestuursdirectie Europese Zaken, zal deze laatste binnen een termijn van maximum drie dagen het probleem bij het Secretariaat van de Interministeriële Conferentie van het Buitenlands Beleid aanhangig maken. In dit geval, zal deze met spoed vergaderen op het initiatief van haar Voorzitter.

Art. 5. Van zodra het Belgisch standpunt bepaald is binnen de coördinatie georganiseerd door de Bestuursdirectie Europese Zaken of eventueel krachtens artikel 4 binnen de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid, zendt de Minister van Buitenlandse Zaken de instructies naar de Permanente Vertegenwoordiging bij de Europese Gemeenschappen, met kopie aan de betrokken Federale, Gemeenschaps- of Gewestministers.

Art. 6.
1. Als, ter zitting van de Raad of van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER), het Belgisch standpunt, vastgesteld volgens de procedures ingesteld door dit Akkoord, dringend aangepast moet worden teneinde zinvol deel te nemen aan de besluitvorming in deze instanties, dan neemt de verantwoordelijke van de Belgische zetel de nodige contacten daartoe.

2. Als bij gebrek aan tijd of ingeval van blijvend gebrek aan overeenstemming deze verantwoordelijke zich moet uitspreken zonder de gelegenheid te hebben gehad om de nodige contacten te nemen, kan hij zich, uitzonderlijk "ad referendum" aansluiten bij het standpunt dat het best aansluit bij het algemeen belang. Het definitieve standpunt van België zal aan het Voorzitterschap kenbaar gemaakt worden binnen een termijn van maximaal drie dagen na regeling van het probleem op intern niveau.

III. VERTEGENWOORDIGING

Art. 7. 1. De Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid beslist eveneens over de verdeling tussen de Federale Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten van de vertegenwoordiging van het Koninkrijk in de Raad, naargelang de configuratie van deze laatste. Deze beslissing is opgenomen in bijlage I van dit Akkoord. Zij kan naderhand aangepast of herzien worden.

2. Als de Gemeenschappen en/of Gewesten voor België moeten zetelen in de Raad van de Europese Unie, wordt een rotatiesysteem vastgesteld, rekening houdend met het werktempo van de Europese Gemeenschappen.

Het rotatiesysteem afgesproken tussen de Gemeenschappen of Gewesten wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid en is opgenomen in bijlage II van dit Akkoord. Het kan naderhand aangepast of herzien worden.

Art. 8. De Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid stelt de lijst op van de Ministers van elk van de entiteiten van het Koninkrijk die kunnen zetelen voor België in de Raden van de Europese Unie.

Deze lijst wordt opgesteld telkens de samenstelling van de Regeringen van het Koninkrijk wordt gewijzigd of vernieuwd, en wordt ter kennis gebracht van het Secretariaat-Generaal van de Raden van de Europese Unie door de Minister van Buitenlandse Zaken.

Art. 9. De aanduiding van de Minister die gelast wordt België te vertegenwoordigen in de Raad, wordt geformaliseerd in het kader van de coördinatie Europese Zaken of eventueel krachtens artikel 4 binnen de Interministeriële Conferentie voor het Buitenlands Beleid, vóór elke Raad, en genotificeerd door de Minister van Buitenlandse Zaken, via de Permanente Vertegenwoordiging, aan het Secretariaat-Generaal van de Raad van de Europese Unie.

Art. 10.
1. De vertegenwoordiging van België wordt tijdens de volledige duur van de zitting van de Raad door één enkele Minister waargenomen, namelijk de zetelende Minister.
Deze zal tevens de enige woordvoerder van de delegatie zijn bevoegd om België bij de stemmingen te verbinden.
Bij afwezigheid van voornoemde zetelende Minister, wordt de Belgische zetel bezet door de Permanente Vertegenwoordiger van België bij de Europese Gemeenschappen of door zijn adjunct.

2. Overeenkomstig het vertegenwoordigingssysteem waarvan sprake in bijlage I, mag de zetelende Minister worden bijgestaan door een Minister-assessor.

IV. VOORZITTERSCHAP

Art. 11. Op basis van de hierboven vernoemde beginselen zullen de partijen, vóór elk Voorzitterschap, een voorstel doen met specifieke modaliteiten. Dit voorstel zal in een bijkomend protocol opgenomen worden.

V. SLOTBEPALINGEN

Art. 12. Het onderhavig samenwerkingsakkoord wordt voor onbepaalde duur gesloten.

Art. 13. De toelichting maakt integraal deel uit van het samenwerkingsakkoord.

Art. 14. De bepalingen van onderhavig samenwerkingsakkoord kunnen op verzoek van elke partij worden herzien. Een verzoek tot herziening wordt binnen de drie maanden onderzocht in de"ICBB".

Gedaan te Brussel, op 8 maart 1994, in zes originelen, in de Nederlandse, Franse en Duitse taal.

Document acties