Chemkar PM10: Chemische karakterisatie van fijn stof in Vlaanderen
De Vlaamse Milieumaatschappij stelt de resultaten van het eerste grootschalige onderzoek naar de samenstelling van fijn stof in Vlaanderen voor.
Het rapport toont aan dat fijn stof voor het grootste deel (41%) bestaat uit secundaire anorganische componenten. Die worden gevormd door de uitstoot van de gassen stikstofoxide (NO), stikstofdioxide (NO2), zwaveldioxide (SO2) en ammoniak (NH3). Op de tweede en derde plaats komen respectievelijk de heterogene groep van de organische massa (20%) en bodemstof (14%).
Het rapport bevestigt de vermoedens dat er kleine, maar belangrijke lokale verschillen zijn in de samenstelling van fijn stof. Vooral verkeer en industrie beïnvloeden deze verschillen. Daarnaast geven de metingen aan dat het directe effect van de landbouw (opwaaiend bodemstof) in het verleden mogelijk overschat werd, maar dat het indirecte effect van veeteelt (door de uitstoot van ammoniak) waarschijnlijk een belangrijke rol speelt. Voor elementaire koolstof (roet), de meest schadelijke fractie, stelt men de grootste lokale verschillen vast.
Een jaar lang werd elke zes dagen de samenstelling van PM10 bepaald op zes locaties: Houtem, Zelzate, Borgerhout, Mechelen, Aarschot en Hasselt. De meetlocaties werden gekozen om tot een zo groot mogelijke variatie in type omgeving en geografische ligging te komen. Aan de hand van de metingen kon het overgrote deel (86%) van de massa fijn stof verklaard worden. Gemiddeld zijn de vijf 'in massa' belangrijkste fracties:
|
1. Secundaire anorganische ionen (nitraat, sulfaat en ammonium) |
41% |
(12,6 µg/m3) |
Let wel: deze resultaten geven het belang in massa weer, maar zeggen op zich niks over het gezondheidseffect van de verschillende fracties. Zo wordt aangenomen dat elementaire koolstof (roet), dat qua massa in Vlaanderen pas op de vijfde plaats staat, de meest schadelijke fractie is.
Relevant voor beleid
Ondanks de gelijkenissen tussen de verschillende meetlocaties (die te verwachten zijn in een kleine regio als Vlaanderen), nam men toch duidelijke verschillen van meetplaats tot meetplaats waar. Hoewel het eerste Chemkar project voornamelijk wetenschappelijk relevante informatie bevat, zijn de resultaten – deels vanwege deze lokale verschillen – ook relevant voor het beleid.
Zo worden de grootste relatieve verschillen waargenomen voor elementaire koolstof. De concentratie in Borgerhout blijkt gemiddeld maar liefst vier keer hoger te zijn dan in Houtem. Dit toont aan dat de roetproblematiek een vrij lokaal probleem is dat nauw samenhangt met de hoeveelheid verkeer. Een gerichte aanpak van deze (potentieel) meest schadelijke fractie is belangrijk.
Daarnaast lijkt een algemene reductie van de precursoren NOX, SO2 en NH3 van groot belang om de grootste fractie, de secundaire anorganische ionen, terug te dringen. Dit is des te meer het geval, aangezien de sectoren die verantwoordelijk zijn voor deze emissies (verkeer, industrie, veeteelt, …) waarschijnlijk ook voor een aanzienlijk deel bijdragen tot de emissies van precursoren die leiden tot de organische fractie in het fijn stof.
De lage concentraties bodemstof in Houtem (waar de meetplaats omgeven is door akkerland) geven dan weer aan dat de primaire bijdrage van de landbouw aan PM10 eerder klein zou zijn. Voor de fractie bodemstof lijken vooral verkeer en industrie de belangrijkste bronnen.
Nieuwe projecten
Omdat dit eerste onderzoek aantoont dat chemische karakterisatie een duidelijke meerwaarde heeft, startten ondertussen twee nieuwe Chemkar projecten. In een eerste nieuw project wordt sinds eind oktober 2008 op vijf hotspots (Oostrozebeke, Roeselare, Zwevegem, Evergem en Zwijndrecht) en twee achtergrondlocaties (Aarschot en Moerkerke-Damme) PM10 bemonsterd met het oog op chemische analyse. In het tweede nieuwe project wordt sinds het begin van dit jaar naast PM10 ook PM2,5 onderzocht op een landelijke (Retie) en een stedelijke (Borgerhout) achtergrondlocatie.

