Persoonlijke hulpmiddelen
  •  
Rubriek lucht
U bent hier: Home LUCHT Beleid en instrumenten Richtlijnen kwaliteitsbeleid
 

Richtlijnen kwaliteitsbeleid

Op 21 november 1996 trad de Kaderrichtlijn (96/62/EG) voor de luchtkwaliteit in werking. Samen met enkele dochterrichtlijnen vormt ze de basis voor het huidige kwaliteitsbeleid Lucht van de Europese Unie. Hieruit vloeien de huidige normen en richtlijnen voort.

 

De EU-richtlijnen lucht

De polluenten die door de dochterrichtlijnen dienen omschreven te worden, zijn in de Kaderrichtlijn gedefinieerd. Het gaat om 13 polluenten zijnde zwaveldioxide (SO2), stikstofdioxide (NO2), fijn stof (zoals vb. roet), zwevend stof (suspended particulate matter), lood, ozon (O3), benzeen, koolmonoxide (CO), poly-aromatische koolwaterstoffen (PAK), cadmium, arseen, nikkel en kwik.

In de dochterrichtlijnen worden voor deze polluenten luchtkwaliteitsnormen (grenswaarden, in een aantal gevallen alarmdrempels en in het geval van ozon een 'target' waarde (richt- of streefwaarde) vastgelegd.

  • De 1ste dochterrichtlijn (1999/30/EG) die kwaliteitsnormen vastlegt voor SO2, NO2 en NO, PM10 en lood trad in werking op 19 juli 1999 en werd omgezet in VlaremII op 18 januari 2002.
  • De 2de dochterrichtlijn (2000/69/EG) die CO en benzeen behandelt, werd van kracht op 13 december 2000 en werd omgezet in Vlarem II op 14 maart 2003. In het voorstel voor de aanpassing van het Vlarem werd de datum waarop aan de grenswaarde voor benzeen dient te worden voldaan nl. 1/1/2010, in de dochterrichtlijn gewijzigd in 1/1/2005.
  • De 3de dochterrichtlijn die ozon behandelt, werd van kracht op 9 maart 2002. Deze richtlijn dient ten laatste op 9 september 2003 in de Vlaamse milieuwetgeving geïmplementeerd te worden.
  • Voor de 4de dochterrichtlijn die Cd, As, Ni, Hg en PAK's behandelt, werd in juli 2003 een definitief voorstel van de EU-Commissie ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. In dit voorstel werd enkel voor benzo(a)pyreen een streefwaarde vastgelegd. De eerder voorgestelde grenswaarden voor de zware metalen werden enkel nog weerhouden als beoordelingsdrempels.

De 1ste dochterrichtlijn vervangt vanaf 1 januari 2005 de vroegere binnen de Europese Unie te hanteren richtlijnen voor zwaveldioxide en zwevende deeltjes (80/779/EEG) en voor lood (82/884/EEG). Voor stikstofdioxide wordt de vroegere richtlijn 85/203/EEG pas vervangen vanaf 1 januari 2010.

Voor CO en benzeen bestonden voorheen geen Europese richtlijnen.

De 3de dochterrichtlijn vervangt vanaf 9 september 2003 de vroegere binnen de Europese Unie te hanteren richtlijn voor ozon (92/72/EEG).

In de eerste 3 dochterrichtlijnen worden voor de verschillende polluenten niet enkel grenswaarden vastgelegd maar ook overschrijdingsmarges. Enkel in het geval van ozon worden streefwaarden vastgelegd en lange termijn objectieven i.p.v. grenswaarden en overschrijdingsmarges. De overschrijdingsmarge is het percentage van de respectievelijke grenswaarden waarmee deze onder de in Richtlijn 96/62/EG vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden. Deze overschrijdingsmarge neemt lineair af vanaf de startdatum tot 0% op de datum waarop aan de grenswaarde moet worden voldaan.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de geleidelijke afname van de grenswaarden gesommeerd met de overschrijdingsmarge voor de verschillende polluenten die in de 1ste dochterrichtlijn gedefinieerd werden.

Stapsgewijze reductie van de grenswaarde en overschrijdingsmarge

De hieronder vermelde tabel geeft een overzicht van de grenswaarde gesommeerd met de overschrijdingsmarge voor de jaren waarop de overschrijdingsmarge van toepassing is. Dit in overeenstemming met de annexen I tot V van de 1ste Dochterrichtlijn (1999/30/EC) voor de polluenten SO2, NO2, NOx, PM10 en lood. De introductiedatum van de overschrijdingsmarge is 19/07/99 (datum van inwerking treding van de 1ste Dochterrichtlijn). De eerste reductiestap is op 01/01/2001. De indicatieve grenswaarden van PM10 - fase 2 zijn niet inbegrepen, dit met het oog op de mogelijke herziening van deze grenswaarden in 2003. Voor de polluenten CO en benzeen is dit in overeenstemming met de annex 1 van de 2de Dochterrichtlijn (2000/69/EC). De introductiedatum van de overschrijdingsmarge is 13/12/2000 (datum van inwerking treding van de 2de Dochterrichtlijn). De eerste reductiestap is voor CO op 01/01/2003 en voor benzeen op 1/1/2006.

Tabel: Stapsgewijze reductie van de grenswaarde gesommeerd met de overschrijdingsmarge

    Grens-
waarde
(µg/m³)
(1)
Te
resp.
op
Over-
schrij-
dings-
marge

2000

(2)

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008

2009

2010
SO2 1u 350 1/1/05 150
µg/m³
500 470 440 410 380 350




SO2 24u 125 1/1/05 -










SO2 1j,
1/2j (3)
20 19/07/01 -










NO2 1u 200 1/01/10 50% 300 290 280 270 260 250 240 230 220 210 200
NO2 1j 40 1/01/10 50% 60 58 56 54 52 50 48 46 44 42 40
NOx 1j 30 19/07/01 -










PM10 24u 50 1/01/05 50% 75 70 65 60 55 50




PM10 1j 40 1/01/05 20% 48 46 45 43 42 40




Pb 1j 0,5 1/01/05 100% 1.0 0.9 0.8 0.7 0.6 0.5




Pb3 1j 0.5
(1.0)
1/1/10
(1/1/05)
100% 1.0 1.0 0.9 0.9 0.8 0.8 0.7 0.7 0.6 0.6 0.5
CO Hoogste
dage-
lijkse 8u
10
mg/m³
1/1/05 60% 16 16 16 14 12 10




Ben-
zeen
1j 5 1/1/10 100% 10 10 10 10 10 10 9 8 7 6 5

(1) Numerieke waarde in µg/m³ behalve voor CO in mg/m³.
(2) Grenswaarde+ overschrijdingsmarge (µg/m³) tot einde van het opgegeven jaar.  Numerieke waarde in µg/m³ behalve voor CO in mg/m³.
(3) Kalenderjaar (1j) en winter (1 oktober tot 31 maart) (1/2j)
(4)
Enkel geldig voor specifieke bronnen, die aan de commissie dienen bekend gemaakt te worden (in overeenstemming met annex IV van de 1ste Dochterrichtlijn); in dit geval zal de tussentijdse grenswaarde van 1,0 µg/m³ moeten gerespecteerd worden tegen 01/01/2005. Niet van toepassing in Vlaanderen.

Deze richtlijn heeft als algemene doelstelling de grondbeginselen om een gemeenschappelijke strategie te formuleren die erop is gericht:

  • doelstellingen voor de luchtkwaliteit in de Gemeenschap te omschrijven en vast te stellen, teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en het milieu als geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen;
  • de luchtkwaliteit in de Lidstaten op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria te beoordelen;
  • te beschikken over adequate informatie over de luchtkwaliteit en ervoor te zorgen dat de bevolking daarover wordt ingelicht, onder andere door middel van alarmdrempels;
  • goede luchtkwaliteit in stand te houden en die in de andere gevallen te verbeteren.

Een eerste vereiste voor een correcte toepassing van de kaderrichtlijn voor de kwaliteit van de omgevingslucht is het beoordelen van de luchtkwaliteit door de verschillende Lidstaten over hun volledig grondgebied. De Lidstaten dienen hiervoor 'zones' te definiëren. Voor het definiëren van de zones - waarbij een agglomeratie een speciaal type zone is - werden door de Commissie geen criteria vooropgesteld. Dit laat de Lidstaten toe zelf hun criteria voor de bepaling van de zones op te stellen. De keuze van de zones is belangrijk en dient wel overwogen te worden omdat het niet alleen een weerslag heeft voor de Lidstaten zelf nl. het aantal te installeren stations (design van het monitoring netwerk), maar ook een weerslag heeft op de rapportering aan de Commissie en op de te nemen maatregelen in de zones waarin er overschrijdingen van grenswaarden vastgesteld worden. De Commissie geeft, onder vorm van een technical guidance report genaamd 'Guidance on Assessment under the EU Air Quality Directives', wel een aantal richtlijnen en/of aanbevelingen die echter geen wettelijk karakter hebben.

Agglomeraties zijn zones met meer dan 250.000 inwoners of met een lagere bevolkingsconcentratie maar met een bevolkingsdichtheid per km² die voor de Lidstaten de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit rechtvaardigt. Agglomeraties worden onderworpen aan bepaalde eisen die niet van toepassing zijn op de andere zones.

In alle Lidstaten wordt de luchtkwaliteit over het gehele grondgebied in alle gedefinieerde zones beoordeelt overeenkomstig artikel 6 van de Kaderrichtlijn.

De volgende figuur geeft het principe van de Kaderrichtlijn weer.

Schema principe kaderrichtlijn luchtkwaliteit
Figuur 1: Principe van de kaderrichtlijn

Al naargelang de concentratie van een polluent in een zone wordt een beoordelingsmethode van de luchtkwaliteit vastgelegd.

Metingen zijn verplicht in volgende zones (lid 2 van artikel 6):

  • de agglomeraties zoals omschreven in definitie 10;
  • de zones waar de niveaus tussen de grenswaarden en de bovenste beoordelingsdrempel (UAT- upper alert threshold) liggen, en
  • de andere zones waar de niveaus hoger dan de grenswaarden liggen.

De voorgeschreven metingen kunnen met op modellen gebaseerde technieken worden aangevuld ter verkrijging van de nodige informatie over de luchtkwaliteit.

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit kan een combinatie van metingen en modellen worden gebruikt (lid 3 van artikel 6) wanneer de niveaus over een representatieve periode lager liggen dan een beneden de grenswaarde liggend niveau dat moet worden vastgelegd volgens de in artikel 4, lid 5, bedoelde bepalingen van de Kaderrichtlijn. In praktijk betekent dit: wanneer de gemeten concentratie gelegen is tussen de onderste beoordelingsdrempel (LAT- lower alert threshold)) en de bovenste beoordelingsdrempel (UAT).

Wanneer de niveaus lager liggen dan de onderste beoordelingdrempel (LAT), is het toegestaan om voor de beoordeling van de niveaus uitsluitend technieken op basis van modellen of objectieve ramingen te gebruiken. Deze bepaling geldt in agglomeraties niet voor de verontreinigende stoffen waarvoor alarmdrempels zijn vastgesteld nl. SO2 en NO2.

Of de bovenste en onderste beoordelingsdrempel worden overschreden, wordt bepaald op basis van de concentraties gedurende de voorgaande vijf jaar wanneer voldoende gegevens beschikbaar zijn. Een beoordelingsdrempel wordt geacht te zijn overschreden als hij in 3 afzonderlijke jaren binnen deze 5 voorafgaande jaren werd overschreden (2001/744/EG: amendeert sectie II van annex V van 1999/30/EG).

De rapportering over de beoordeling van de kwaliteit van de omgevingslucht door de Lidstaten dient jaarlijks te gebeuren uiterlijk 9 maanden na het einde van elk jaar (96/62/EG: art.11 (1a)). Deze rapportering dient in eerste instantie de polluenten gedefinieerd in de 1ste dochterrichtlijn te omvatten. De 1ste dochterrichtlijn diende in de Lidstaten geïmplementeerd te worden ten laatste op 19 juli 2001. De rapportering dient te gebeuren over volledige kalenderjaren. Het eerste officiële rapport loopt bijgevolg over het kalenderjaar 2002. België heeft echter in 2002 samen met andere Lidstaten een eerste (officieus) rapport over het kalenderjaar 2001 aan de Commissie overgemaakt.

Luchtkwaliteitszones

Er zijn 3 methodes die in Vlaanderen (en in België) gehanteerd werden voor de definiëring van de luchtkwaliteitszones. Deze zijn:

  • het gebruik van lange datareeksen: voor SO2, NOx en lood zijn data voorhanden vanaf 1978 tot op heden. Voor PM10 zijn data vanaf 1995 beschikbaar.
  • het gebruik van emissiegegevens: om industriële hotspots te definiëren
  • modellen

Bij het vastleggen van de zones werd eveneens rekening gehouden met volgende criteria:

  • het aantal inwoners in combinatie met de populatiedensiteit
  • gebieden met een vergelijkbare luchtkwaliteit worden best in één zone vastgelegd
  • bij voorkeur worden zoveel mogelijk zones gemeenschappelijk voor alle polluenten gedefinieerd. Uitzonderingen kunnen gemaakt worden voor vb. lokale invloeden door industriële activiteiten

Gebruik makend van bovenstaande methoden en rekening houdend met de principes voor de zonering werden de volgende zones binnen Vlaanderen gedefinieerd.

De agglomeraties Antwerpen en Gent werden weerhouden op basis van hun inwonersaantal. Ze hebben beiden meer dan 250.000 inwoners. De Kaderrichtlijn definieert namelijk een agglomeratie als zijnde een zone die wordt gekenmerkt door een bevolkingsconcentratie van meer dan 250.000 inwoners of, bij een bevolkingsconcentratie van 250.000 inwoners of minder, door een bevolkingsdichtheid per km² die voor de Lidstaten de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit rechtvaardigt.

Daarnaast werden alle steden met meer dan 50.000 inwoners samen gegroepeerd in een aparte zone. De meeste voorgestelde grenswaarden werden in eerste instantie ter bescherming van de volksgezondheid van de mens ingevoerd.

Daarnaast werden een aantal zones gedefinieerd met een specifiek verontreinigingsniveau. Zo werden de industriële gebieden Antwerpse Haven, gelegen ten noorden van Antwerpen en de Gentse Kanaalzone, gelegen ten noorden van Gent en die zich uitstrekt tot en met Zelzate eveneens als 2 aparte zones gedefinieerd.

De overblijvende delen van Vlaanderen worden samengebracht in een aparte zone.

Alle hoger genoemde zones worden voor alle polluenten die in de 1ste Dochterrichtlijn vervat zijn, gedefinieerd. Daarnaast worden nog een 3-tal industriële hot spots gedefinieerd zijnde de zone Lommel enkel voor de polluent SO2; Beerse en de wijk Moretusburg in Hoboken worden enkel voor lood gedefinieerd.

Figuur 2 geeft een overzicht van alle zones die in Vlaanderen gedefinieerd werden.

Kaart Air quality zones in Belgium
Figuur 2: luchtkwaliteitszones in Vlaanderen

Volgende tabel geeft meer details per gedefinieerde zone. Naast de naam van de zone wordt eveneens de code weergegeven. Het type van de zone wijst erop of het om een agglomeratie (ag) of niet-agglomeratie (nonag) gaat. Werd de zone gedefinieerd voor alle polluenten (zonecode eindigend op A) of slechts voor een specifieke polluent (zonecode eindigend op S)? Daarnaast werd het oppervlakte aangegeven en een ruwe schatting van het aantal inwoners.

Code Naam Type Polluenten waarvoor de zone geldig is Opp (km2) Aantal inwoners ruwe schatting
BEFL001A Antwerpse haven nonag Alle 252  
BEFL002A Antwerpen ag Alle 170  
BEFL003A Gentse Kanaalzone nonag Alle 117
BEFL004A Gent ag Alle 136
BEFL005A Steden > 50.000 nonag Alle 786  
BEFL006A Vlaanderen nonag Alle 12.126  
BEFL007S Hoboken nonag Alle 4  
BEFL008S Beerse nonag Alle 1,4  
BEFL009S Lommel nonag Zwaveldioxide 103  
Vlaanderen 13.695,4 6.048.250

Bij de bespreking van de meetgegevens m.b.t. SO2, NOx, PM10 en lood werd naast het toetsen aan de huidige richtlijnen ook aan de nieuwe grenswaarden getoetst zoals die werden vastgelegd in de richtlijn 1999/30/EG.

In sommige gevallen werd ook de grenswaarde gesommeerd met de overschrijdingsmarge getoetst. Soms was het noodzakelijk bepaalde gegevens van de lange termijnevolutie te herberekenen om ze te kunnen toetsen aan de nieuwe grenswaarde (vb. NO2 jaargemiddelden). Bij de interpretatie werd hoofdzakelijk nog steeds gewerkt met de verschillende virtuele stations zijnde industrieel, stedelijk, voorstedelijk en landelijk. Toch werden sommige meetresultaten reeds per zone geïnterpreteerd.

Voor de polluent O3 werden de gegevens van het kalenderjaar 2002 nog niet getoetst aan de nieuwe richt- en streefwaarden beschreven in de richtlijn 2002/3/EG. Deze richtlijn dient ten laatste op 9 september 2003 in de Vlaamse wetgeving geïmplementeerd te zijn. Het eerste jaar waarover ozonmeetresultaten dienen gerapporteerd te worden is het jaar volgend op de datum van implementatie van deze richtlijn nl. 2004.

Document acties